Een fragiel staakt-het-vuren tussen Hezbollah en Israël, dat in 2024 zou worden afgesproken, stortte op 28 februari in na een gezamenlijke aanval van de VS op Iran, waarbij de Iraanse opperleider Ayatollah Ali Khamenei om het leven kwam. Sindsdien zijn meer dan 1800 mensen omgekomen, waaronder 120 kinderen, en raakten 3000 mensen gewond. Israëlische troepen hebben grote delen van dorpen in het zuiden geëvacueerd in een poging de controle over de grens te heroveren. Op 31 maart trok het Libanese leger zich terug uit Rmeich en Ein Ebel, de twee christelijke dorpen in Zuid-Libanon die nu in de Israëlische bufferzone liggen.
Marielle Boutros zei dat elke dag een mengeling van opluchting en verdriet brengt. “Je voelt je ontmenselijkt. Je belt je familie en bent opgelucht dat ze in orde zijn, maar dan hoor je dat er 200 doden en bijna 2000 gewonden zijn. Je voelt je niet veilig. Sommige slachtoffers waren in hun huis, op een veilige en vertrouwde plek, en werden gebombardeerd.”
“Je moet omgaan met de angst, vrees en schuldgevoelens die zich de afgelopen jaren hebben opgebouwd. Voor mij is dit het ergste: je bent opgelucht dat het niet je eigen familie is, maar je hebt wel dode familieleden op de grond liggen. We staan onder druk om ons dagelijks leven voort te zetten, omdat we ons dat door de economische crisis niet kunnen veroorloven.”
“Het gaat niet goed met ons. We overleven, maar diep in ons hart willen we allemaal dat deze nachtmerrie op de een of andere manier eindigt,” vertelt ze aan Kerk in Nood.