India: Tien jaar na de feiten herinnert een Indiase katholiek zich de uitbarsting van geweld

17/08/2018 Leuven – Deze maand wordt de tiende verjaardag van de afschuwelijke uitbarsting van antichristelijk geweld herdacht die in augustus 2008 in het district Kandhamal in de Indische bondsstaat Odisha tot de dood van meer dan honderd christenen leidde. Daarbij werden 300 kerken en 6.000 woonhuizen beschadigd of vernield en werden meer dan 50.000 mensen gedwongen om de regio te verlaten.

Tarun Kumar Nayak (19) werd in de bondsstaat Odisha geboren en volgt een masteropleiding in natuurwetenschappen. Als negenjarige jongen was hij getuige en slachtoffer van de  gewelddadige aanvallen van een meute hindoegepeupel. Tarun vertelt wat hij zich van die dagen herinnert in een interview met de pauselijke stichting Kerk in Nood. Hij begint zijn relaas met het verhaal van de vernieling van zijn ouderlijke woning en van het kleermakersatelier van zijn vader in het plaatsje Bamunigoan. Dit incident vormde het begin van de moorddadige uitspattingen die zich in augustus 2008 afspeelden:

“De helft van de inwoners van mijn dorp zijn christenen en de andere helft hindoes. De mensen waren vredelievend. Leden van beide godsdiensten leefden vredevol en in harmonie naast en samen met elkaar. Iedereen hielp elkaar toen er religieuze feesten werden gevierd. Het leven verliep rustig tot op 24 december 2007, toen een onverwacht voorval, een ware nachtmerrie het dorp op zijn grondvesten deed daveren.

Wij christenen hadden boven de grote weg voor doorgaand verkeer die door het dorp loopt kerstverlichting en -versieringen aangebracht. Een groep van 150 tot 200 hindoes kwam op het marktplein bijeen en eiste dat de verlichting en de versieringen zouden worden verwijderd.  De meute was echt opgefokt en probeerde vervolgens om de wekelijkse markt en alle winkels in de omgeving onder dwang te sluiten.

Toen de christelijke eigenaars van de winkels weigerden om hun zaken te sluiten, kwam het na bijzonder verhitte discussies tot een gewelduitbarsting. Zowat twintig winkels van christenen werden geplunderd en vernield. Daarbij kwam er ook een christelijke inwoner om het leven.

Wij werden gedwongen om ons dorp te ontvluchten en ons in de bossen te verschuilen. We moesten in de duisternis kilometers ver lopen om niet te worden omgebracht. We trokken minstens twee dagen lang door de bossen zonder voedsel of water. Enkelen van ons vielen zelfs in diepe putten of werden met slangen geconfronteerd. Personen van uiteenlopende leeftijd, onder wie ook pasgeboren kinderen, moesten de koude van de winterperiode trotseren.

Maar zoals in de Bijbel te lezen staat:  “Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Niemand onder ons liep ernstige verwondingen op. Wij kwamen aan in een dorp met de naam Tamangi, waar leden van een stam ons te eten gaven en ons een onderkomen bezorgden.

De fanatici waren op zoek naar mijn vader, aangezien hij tot aan zijn overlijden verleden jaar de vertegenwoordiger van onze christelijke gemeenschap was. Mijn vader bleef in het dorp in de hoop om met de aanvallers te kunnen spreken. Daardoor zette hij zijn eigen leven op het spel.  Uiteindelijk moest hij echter toch vertrekken, aangezien de toestand alsmaar meer bleef verslechteren. Hij trok meer dan 40 kilometer door het woud om een langeafstandsbus te nemen en zich met zijn familieleden te kunnen herenigen die zowat 130 kilometer verder, in Berhampur, woonden. Ik moest mij echter meer dan een week lang verschuilen en al die tijd wisten  wij niet waar mijn vader zich ophield.

We keerden naar onze huizen terug toen de lokale overheden erin slaagden de rust en de vrede te herstellen, maar mijn vader kwam pas vijf of zes dagen later naar het dorp terug. Wij weenden dag en nacht, omdat wij ervan overtuigd waren dat ze hem hadden vermoord. Wij weenden niet alleen omdat hij in een huishouden van acht personen het enige gezinslid was dat een inkomen had, maar ook en vooral omdat hij onze geliefde vader was die alles deed wat in zijn macht lag om ons leed te besparen.

Als kleermaker kon hij voor mijn moeder, mijn broers en zussen en mijzelf zorgen. Hij offerde alles op om ons een opleiding te geven die ons de juiste menselijke waarden meegaf. Daarnaast speelde hij een uiterst belangrijke rol in het dorp en in onze christelijke gemeenschap. Geen enkele vergadering of bijeenkomst vond plaats wanneer hij niet aanwezig kon zijn.

Normaliter begonnen wij met de feestelijkheden van de kerstperiode altijd omstreeks 20 december en we sloten die  af met een picknick tijdens de eerste week van januari. In 2007 werd er wegens de spanningen in het dorp echter niet gevierd. Uit schrik voor nieuwe conflicten ontplooide de lokale overheid van het district twee brigades politieagenten van de centrale reserve-eenheden. Het veiligheidspersoneel patrouilleerde minstens tweemaal per dag in het dorp  om de inwoners een gevoel van veiligheid te geven. Geleidelijk werd het leven in het dorp weer normaal en de winkels openden opnieuw hun deuren.

Maar dan, op 24 august 2008, deed er zich opnieuw een verschrikkelijke uitbarsting van geweld voor na het overlijden van de religieuze hindoeleider Swami Laxmanananda Saraswati, die samen met vier van zijn leerlingen in zijn ashram werd vermoord.  Hoewel een maoïstische guerrillabeweging de verantwoordelijkheid voor de moorden opeiste, waren de hindoefundamentalisten van mening dat de christenen hiervoor verantwoordelijk waren en begonnen ze de lokale christelijke gemeenschap aan te vallen.

Hoewel vele mensen werden omgebracht en talrijke eigendommen werden vernield, hielden wij vast aan ons geloof. Enkel en alleen omdat wij er zeker van waren dat God met ons was, slaagden wij erin om het hoofd te bieden aan de terreur en aan het brutale geweld.

De toenmalige aartsbisschop van Cuttack-Bhubaneswar, Raphael Cheenath, stelde alles in het werk om voor de christenen gerechtigheid en schadevergoeding te verkrijgen en wendde zich daarvoor  tot het Hoogste Gerechtshof van India. Na een gerechtelijk besluit kende de regering daarop financiële en economische hulp toe aan de getroffen inwoners. Ondertussen is de toestand in het district onder controle. Wanneer er christelijke feesten worden gevierd, wordt er veiligheidspersoneel ingezet om de openbare orde te verzekeren, maar de herinnering aan en de angst voor het geweld zijn nog levendig aanwezig bij iedereen.”

Sinds 2008 ondersteunt de pauselijke stichting Kerk in Nood  ook de heropbouw van enkele van de 300 kerken die tijdens de onlusten werden vernield.

Verleden jaar heeft Kerk in Nood bijna 7 miljoen dollar besteed aan projecten ten gunste van christenen in India, in het bijzonder voor dalits, de laagste kaste in de hindoehiërarchie, en voor leden van stammen (tribals), die door de hindoefundamentalisten eveneens in zeer grote mate worden gediscrimineerd.

Door Subadh Nayak

Doe een gift

Schrijf me in voor de digitale nieuwsbrief

Voor een goed databeheer hebben we deze gegevens nodig. Ons privacybeleid